Blog Hendrik-Jan van Arenthals: Mbo-provincie

17 september, 2018

In 2015, het jaar dat mijn werk bij Scalda begon, klonk het nog tamelijk ernstig: ‘Zeeland is een echte mbo-provincie’. Meer dan in de meeste andere delen van het land volgen jongeren in onze provincie middelbaar beroepsonderwijs. Wanneer dit feit in gesprekken op (provinciaal) niveau aan de orde kwam, waren de blikken niet zelden enigszins zorgelijk. Het CBS kwam met cijfers waaruit bleek dat in onze provincie relatief de minste jongeren vanuit de basisschool verder gingen in het vwo, op de voet gevolgd door Friesland en Groningen. Het ‘rapport Balkenende’ bevestigde in 2016 opnieuw dat we in Zeeland werk moesten maken van het versterken van het ‘hoger onderwijs’. Investeringsprogramma’s voegden de daden bij het woord.

In die tijd, nog maar een paar jaar geleden, pleitten we voor een ‘Zeeuws jongerenpact’. We vroegen ondernemingen, overheden en onderwijs, de bekende ‘drie O’s’, om samen te zorgen voor voldoende banen en stageplekken voor mbo-studenten niveau 1 en 2. Door steeds hogere eisen aan hun ‘skills’, door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, was de situatie voor hen steeds lastiger geworden. ‘Had je maar een vak moeten leren.’ Dat zei mijn moeder altijd, wanneer iemand met een dik betaalde ‘hoge’ functie klaagde over hoe zwaar het werk wel niet was. Maar voor deze vakmensen en -vrouwen viel het toen lang niet altijd mee een goede plek te vinden.

Hoe snel is dat veranderd. In verreweg de meeste sectoren is er een schreeuwend tekort aan arbeidskrachten en zijn studenten van niveau 1 tot en met 4 inmiddels meer dan welkom. In plaats van een ‘jongerenpact’ hebben we inmiddels een ‘techniekpact’, een ‘zorgpact’ en een ‘hospitalitypact’ en een ‘groene coalitie’ met min of meer hetzelfde doel. Er lijkt soms tegen elkaar opgeboden te worden met stagevergoedingen, allerlei voorzieningen en baangaranties. De mbo-student wordt er alleen maar beter van, zo lang de loopbaanoriëntatie en -begeleiding maar in staat is hem of haar de juiste keuze te laten maken en zich niet gek te laten maken door de over elkaar heen buitelende wervingsactiviteiten. Natuurlijk, enige regie zou geen luxe zijn, maar dat is weer een ander thema.

Het imago van het mbo lijkt het spoor van de economische vraag te volgen. Marianne Zwagerman die los gaat tegen de term ‘lager opgeleiden’, Pieter Derks die een tekort aan vakmensen versus een ruim overschot aan overbodige ‘hogere’ functies ziet, antropoloog David Graeber die met zijn onderzoek laat zien dat 40% van de Nederlandse werknemers erkent ‘bullshit jobs’ te hebben: het zijn stemmen die de revival van het middelbaar beroepsonderwijs woorden geven. Veelzeggender zijn wellicht de UWV-cijfers die het arbeidsmarktperspectief van alle beroepen weergeven. Het uurtarief van en beetje loodgieter overstijgt nu steeds vaker dat van de consultant of advocaat. Breng je auto maar eens naar de garage. Of laat een slotenmaker komen voor je dichte deur.

‘Praktisch opgeleid’ in plaats van ‘lager’: het zijn discussies die me persoonlijk niet zoveel zeggen. Dat staat nog los van het feit dat mbo-opleidingen niet alleen maar praktisch zijn, laat staan dat iedereen er ‘met zijn handen werkt’. Het is een beetje de discussie van OSM (‘ons soort mensen’) óver het mbo en zeker niet waar het om gaat. Waar het om gaat is dat ieder talent belangrijk is, hoe dan ook. Waar het om gaat is de kracht en het belang van echt vakmanschap, dat we dingen een beetje in perspectief lijken te zijn gaan zien. Het tekort aan mensen met een beroepsopleiding zal in de komende jaren nog nijpender worden, zeker in gebieden waar de bevolking af- en de vergrijzing toeneemt. In Zeeland gaan we dat echter met zijn allen prima redden. Want gelúkkig zijn wij een echte mbo-provincie.